Hoe snel kun je praten?

Sommige mensen praten veel sneller dan andere. We hebben allemaal wel vrienden, buren, collega’s die zo snel praten dat we ze amper kunnen volgen, en andere die erg langzaam praten. We begrijpen nog niet precies hoe dit komt. Kunnen snelle sprekers hun mond heel snel bewegen of zijn ze sowieso in alles sneller? Of kunnen ze gewoon heel snel op woorden komen? En welke rol speelt aanleg eigenlijk in de snelheid waarin je spreekt?

Istock_000023849306xlarge

Deze vragen probeerden Antje S. Meyer en Hans Rutger Bosker van het Max Planck Instituut in Nijmegen in het voorjaar van 2015 te beantwoorden met behulp van de bezoekers van Science Center NEMO. Maar liefst 807 mensen deden mee aan de experimenten, waaronder 397 kinderen. Onder de proefpersonen waren veel kinderen met hun ouders, dus de onderzoekers konden ook kijken of de spreeksnelheid van kinderen leek op die van hun ouders.

Om te testen hoe snel je in het algemeen bent, begonnen de onderzoekers met het verkeerslicht-experiment. De opdracht was om op een scherm te kijken naar een rood vierkant. Zodra dat vierkant in een groene cirkel verandert, druk je zo snel mogelijk op de spatiebalk. Volwassenen deden dit gemiddeld sneller dan kinderen, die wel weer steeds sneller werden naarmate ze ouder waren. Er was geen verschil tussen jongens en meisjes.

In het tweede experiment moesten de proefpersonen zo snel mogelijk tot tien tellen, de dagen van de week noemen en in zeven seconden zo vaak mogelijk ‘pataka’ zeggen. Zulke vaste reeksen kun je uitspreken zonder dat je er echt bij moet nadenken, dus je meet zo alleen hoe snel iemand kan spreken. Alleen het noemen van de dagen van de week bleek nuttig voor het onderzoek. De andere woordenreeksen zei iedereen ongeveer even snel, dus dan kunnen de onderzoekers niet naar verschillen tussen groepen kijken. Bij volwassenen voorspelde de algemene reactiesnelheid (de score bij de verkeerslicht-test) ook hoe snel ze konden articuleren (de dagen van de week opnoemen). Bij kinderen was dit niet het geval.

Bij het laatste experiment moesten de proefpersonen zo snel mogelijk plaatjes benoemen. Om het moeilijker te maken stond er dwars door elk plaatje een woord geschreven. Soms had dat woord iets te maken met het plaatje (‘hamer’ op een zaag) en soms ook niet (‘muis’ op een zaag). Als het woord iets te maken heeft met het plaatje, duurt het net iets langer voor je op het juiste woord komt: het woord verstoort het benoemen. Die verstoring bleek bij volwassen net zo groot als bij kinderen, en bij jongens net zo groot als bij meisjes. De volwassenen benoemden de plaatjes net iets sneller dan de kinderen. Hun snelheid kon tot op zekere hoogte worden voorspeld op basis van hun snelheid in de eerdere twee testjes.

Maar praten kinderen van rappe ouders nu ook sneller? Dit bleek alleen het geval bij het opnoemen van de dagen van de week. Hierbij konden de onderzoekers de snelheid van de kinderen vooral voorspellen op basis van de leeftijd (ouder = sneller), maar ook een beetje op basis van de prestaties van de vader of moeder. De onderzoekers weten niet of kinderen de spreeksnelheid via hun genen erven van hun ouders, of dat ze hun ouders simpelweg nadoen. Dat gaan ze nu verder onderzoeken in samenwerking met genetici.

Deze keer met deelname van:

Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek
Radboud Universiteit Nijmegen

Dit onderzoek is afgerond

Onderzoek uitgevoerd: Voorjaarsvakantie en Meivakantie 2015 in NEMO Science Museum.

Er deden 816 proefpersonen mee aan het onderzoek. Wij danken alle deelnemers.

De onderzoekers

Nieuws van Science Live